Home

Advertisement

Customize

Jun. 12th, 2008

Oranje Alarm over

Gelukkig, het mag weer: vandaag zag ik een Italiaan rondlopen in een oranje shirt, dus alles is misschien niet vergeten, maar wel vergeven. Gisteren waren de dames van de mensa ook al zeer vergevingsgezind: de Azurri hebben er zelf een puinhoop van gemaakt, zo vinden de Italianen, en dus treft Oranje geen blaam in hun ogen... Dat mag toch wel gezegd worden van Italianen: ze maken zelden van hun hart een moordkuil, maar zijn ook zelden haatdragend. Het schijnt overigens dat Oranje over her algemeen een redelijk goede reputatie geniet in het buitenland, ook hier in Italië. Maar het fenomeen van het Oranje supporterslegioen, dat kennen ze toch nog niet hier in Italië - in Zwitserland ook niet trouwens, waar de vuilnisophaaldienst van Bern min of meer de noodtoestand uitriep nadat de Oranjefans de binnenstad hadden overspoeld. Tsja, het republikeins 'rein und sauber' Zwitserland heeft dan ook geen ervaringen met zoiets als Koninginnedag... Hoe dan ook, de Italiaanse pers publiceert graag foto's van het Oranjelegioen, want zo uitbundig als alles in Nederland oranje is, daar doet men niet aan hier in Italië. Bij deze nog wat fraais uit La Stampa:

Hier snappen de Italianen vast niets van... En hier zijn ze nog vriendjes...

Tot slot nog wat Nederlandse kanttekeningen bij de Nederlands-Italiaanse verhoudingen van de onvolprezen Fokke & Sukke:
Column van maandagEn een fijngevoelige opvolger...

Jun. 10th, 2008

Foebal!

Ik heb gisteren niet gekeken: met nog een maand te gaan voordat ik mijn proefschrift moet inleveren heb ik even wat anders aan mijn hoofd. Niet dat het Europees kampioenschap geheel en al aan mij voorbij gaat, met dank aan de Neerlandsche collegae (waarvan er een zo'n 'brulshirt' aan had... Alsjeblieft zeg...) En ik maakte nog een grapje tegen een Franse professor met een oranje shirt aan dat ik het bijzonder waardeerde dat ze ons steunde tegen Italië... Maar voor de rest heb ik me er niet zo mee bezig gehouden - ik moest nog wat lezen. Wel hoorde ik gisteravond thuis zo rond half negen nog uitbundig gezang van Italiaanse 'tifosi' oftewel fans. Maar daarna bleef het oorverdovend stil in Florence... Al gauw bleek waarom... Een mooi begin voor Oranje, voor het eerst in meer dan dertig jaar de 'Azurri' verslaan.
Arme Italianen. Op de website van de Corriere della Sera (de Italiaanse NRC) vond ik de volgende twee foto's van diep teleurgestelde tifosi: 

Het huilen staat hem nader dan het lachen......maar hij houdt het niet meer droog...
Ach ja, ik heb wel met ze te doen... De eerste wedstrijd al een zware nederlaag, dat zouden wij ook niet leuk vinden. Ik hou mijn eigen oranje shirt maar even een paar dagen in de kast, tot de eerste teleurstelling in Italië weer is gezakt. En de Franse professor had vandaag ook iets anders aan. Terwijl ze langs me liep - ik stond alweer vroeg iets te kopiëren - zei ze: 'I was right to support you!'. En zo is het maar net. Maar toch zal het wel even duren voordat de kleur Oranje even geen pijn doet aan de Italiaanse ogen....

Ondertussen moet natuurlijk nog maar blijken of Oranje het ook tegen de Fransen en Roemenen vol houdt. Mijn Roemeense huisgenoot was gisteren nog opgetogen toen hij me kon meedelen dat het al 2-0 voor Nederland stond. Maar het is natuurlijk best mogelijk dat het op 17 juni wat minder gezellig in huis is....  

Feb. 8th, 2008

Minnezangen in de Mugnone

 
Winters water
Ik beleef niet zo gek veel op het moment – ik zit vijf dagen per week op mijn werkplek in de Villa Schifanoia, in wat vroeger de Garage was, naast de tuin, met steeds dezelfde mensen om mij heen, die net als ik manmoedige pogingen doen hun volledige aandacht te houden bij wat wij behoren te doen, het voortbrengen van een fraai boek dat een belangrijke bijdrage zal leveren aan de wetenschappelijke kennis die ons mensen ten dienste staat. Dus houden wij in ons achterhoofd dat die vormeloze, virtuele flarden woorden op onze laptop ooit daadwerkelijk zullen worden afgedrukt en dan kunnen de lezers in pak ‘m beet vijf, zes uur doorlezen waar wij vier jaar op hebben zitten te zwoegen. Ja ja, die goeie Gouwe-eeuwers wisten het al: ‘De Cost gaet voor de Baet uyt’, maar soms ziet men alleen nog maar de kosten de pan uitrijzen en lijkt de baat onbereikbaarder dan ooit.
Maar genoeg over deze winterse gedachten – alhoewel, winters is het hier bepaald niet te noemen. Koud is het namelijk niet, en ik heb nog geen vlok sneeuw of pegel ijs mogen aanschouwen. Het regent hier wel. En veel ook. Heel veel. Waren vorige winters hier koud maar zonnig, deze januari was heel nat, en februari lijkt niet veel anders te worden. Nu ben ik toch de hele tijd aan het werk, maar wat het klimaat betreft had ik nu dus net zo goed in Nederland kunnen zitten. Nu heeft die regen natuurlijk ook goede kanten. Italië kan ook heel droog zijn – het afgelopen jaar bijvoorbeeld was het naar mijn idee best droog. Als graadmeter voor de Toscaanse neerslag gebruik ik de Mugnone (link alleen in het Italiaans), het riviertje – of liever, de fors uitgevallen beek – waar ik elke dag langs loop en dat ik elke dag oversteek om naar de EUI te lopen.
Ik weet niet of de Mugnone karakteristiek is voor het beleid dat Italianen voeren ten aanzien van hun waterhuishouding, maar het is in ieder geval altijd hollen of stilstaan met de Mugnone. Wanneer het heel lang niet regent, zoals vorig jaar, valt de bedding bijna droog, of vervalt het stroompje tot een verzameling vies groene algenrijke plassen waar tussendoor langzaam wat water zich zeewaarts begeeft. Een waar paradijs voor Florence’s schier ontelbare muggenheir – waar ik, vlakbij wonende, relatief meer last van heb dan andere mede-onderzoekers. Vlak bij de voetbrug die ik elke dag oversteek hebben de Florentijnen een kunstmatige waterval gecreëerd, en normalerwijze stroomt daar dan twee handbreedten water door – soms relatief snel, soms is het niet meer dan een gestaag stroompje. In die regenloze tijden is bijna de hele bedding uitbundig begroeid en het weinige water zit vol met van die gore algenklonters, vermoedelijk met dank aan alle wasmachinefosfaten die uit de bergen mee komen stromen – lang niet iedereen is daar immers op een riool aangesloten. Op het grondgebied van de EUI loopt ook een minuscuul beekje, in – heel typisch – een met beton versterkte goot, en het water wat daar doorheen loopt ruikt soms bepaald onfris en ziet er ook bepaald niet gezond uit. Dat beekje komt uiteraard uit in de Mugnone, die door het dal stroomt, onder de helling waarop de EUI-gebouwen staan. Dat beekje is een feest voor vaderlandsche milieuambtenaren, als je het mij vraagt.
Maar terug naar de Mugnone. Zomers is het dus niet veel soeps. Tenzij we van die geweldige zomerstortbuien hebben. Die kunnen hier een hele dag aanhouden, soms feestelijk bijgelicht en opgeluisterd door gezellig rommelende donder en bliksem. De Mugnone ondergaat dan een ware metamorfose: van slaperig mummelende beek die door een twee handen breed gootje past, verwordt het dan tot een woest kolkende stroom van ruim vijftien meter breed en twee, drie meter hoog die zich onder de gehele lengte van de voetbrug heen perst en zich dramatisch over de kunstmatige waterval heen stort. Met donderend geraas wordt dan alles weggespoeld dat zich niet kan vasthouden; vieze algenplukken, menselijk afval, en de forellen die zich ondanks alles in de Mugnone weten te handhaven. Hoeveel kubieke meter water er dan per seconde weet ik niet – ik ben altijd zeer slecht geweest in rekenen – maar als de regenbuien bedaren en de Mugnone zich geheel in de Arno heeft geloosd, is de hele bedding vlak en schoon als een pas aangeharkt grindpad – zo ziet het er dan uit. Binnen korte tijd stroomt de beek dan weer kalm door zijn gootje en is de bulderende watervloed weer ineengeschrompeld tot een gezellig ruisend watervalletje. De flitsvloed heeft de bedding grondiger schoongeveegd dan menselijke baggeraars het hadden kunnen doen – dat doen ze namelijk af en toe ook, met desastreuze gevolgen. Zo zat er de eerste jaren heel veel forel in, tot men er met een kraantje in ging zitten knoeien. Weg forellen. In Nederland zou zoiets een groot schandaal zijn, stel ik mij voor, maar de Florentijnen lijkt het weinig te deren. Overigens vissen ze graag op die fosfaatforellen. Eet smakelijk zou ik zeggen.
Beekforel

De Minnezangers van de Mugnone
Met een beetje geluk ondergaat Toscane – één van de regenrijkste delen van Italië – per jaar een paar keer van die louterende stortbuien, zodat de Mugnone zich eens lekker kan laten gaan. Maar de slome zomerse Mugnone heeft ook aangename kanten – zo ben ik, liefhebber van geluiden die anderen blijkbaar gauw irriteren, een groot liefhebber van de zomerse kikkerkoren, wanneer honderden kikkerkeeltjes in welluidende samenhang hun bronstig pulserend, ritmisch gezang voortkwaken – uiteraard voornamelijk om het andere geslacht te imponeren met de opzwellende stembanden, maar ik mag er ook graag naar luisteren.
Jammer genoeg woon ik niet zo dicht bij de Mugnone dat ik het thuis kan horen, maar er zijn collegae die er wel pal naast hebben gewoond en aanmerkelijk minder te spreken waren over het uitbundig nachtelijk gekweel van de amphibische minnezangers. Van mij mogen ze zo hard zingen als ze willen. Onze zoetgevooisde groene vriendjes doen namelijk ook hun best om het muggenheir nog enigszins in toom te houden, al is het dat onbegonnen werk. En zelf vind ik het altijd heel rustgevend. Nu dat de bollenkwekers een stuk minder kwistig met bestrijdingsmiddelen strooien, hoor je ’s zomers ook in Breezand weer kikkers kwaken, en ik mag daar graag naar luisteren als ik in bed lig. 

De Caruso van de Mugnone

De flitsvloeden in de Mugnone mogen dan de boel goed opruimen, ze kunnen niet zonder gevaar zijn. Zo is de grote overstroming van 4 november 1966, toen de Arno buiten zijn oevers trad met verwoestende gevolgen in de Florentijnse binnenstad en voor de Florentijnse kunstschatten, ontstaan door een plotselinge flitsvloed na lang aanhoudende regen. Omdat te voorkomen is er nu een stuwmeer aangelegd in de Mugello, ten noorden van Florence, om in geval van plotselinge zware regenbuien als overloopbak te fungeren. Boze tongen zeggen echter dat het stuwmeer helemaal niet voldoende is, maar tot nog toe is het nog niet in de praktijk getest – verwoestende overstromingen van de Arno komen gelukkig minder vaak voor dan stormvloeden in Nederland. De voorlaatste overstroming bijvoorbeeld was in 1333 – het kan dus nog wel weer even duren voordat de Arno weer zoveel water te verwerken krijgt. Maar overstromingen zijn niet ongebruikelijk in Italië, paradoxaal genoeg vaak juist in het droge zuiden, waar plotselinge regenbuien nogal eens voor flitsvloeden en daardoor overstromingen zorgen. Zonde eigenlijk – Zuid-Italië is vaak heel droog en heeft in de hete zomers vaak met watertekorten te maken. Als Nederlander vraag je jezelf dan al gauw af of ze dat vloedwater niet op kunnen vangen in reservoirs – of stuwmeren als dat van Toscane.

Overstroomd Florence

Toch is het niet zo dat Italianen zo maar alles over zich heen laten storten en Gods water over Gods akkers laten stromen. De eerste grootschalige kanalengravers en ontwateraars in ons eigen land waren de Romeinen, en ook in Italië zelf deden de Romeinen driftig aan uiterst succesvol waterbeheer. Het moderne Italië heeft ook overal waterwerken – zoals de Pontijnse Moerassen bij Rome, die sinds de jaren 1930 zijn ingepolderd, en de moerassen in de Maremma, in het zuiden van Toscane, die al in de negentiende eeuw zijn drooggelegd. Het kàn dus wel, water beheren – maar zoals zo vaak in Italië staan er tussen droom en daad veel practische bezwaren en, vooral, heel veel ‘belangengroepen’ zoals de Campanische Mafia die al generaties lang de Napolitaanse vuilverwerking beheerst. Maar dat is weer een heel ander verhaal.

Jan. 9th, 2008

Bakstenen en straatnamen

Toen ik van het voorjaar in New York was, ging ik uiteraard ook op ontdekkingstocht naar herinneringen aan het voormalige Nieuw-Amsterdam. Al was het stadje Nieuw-Amsterdam feitelijk maar een heel klein onderdeel van wat nu Manhattan is, zoals je kunt zien op de kaart hier rechts, de zogenaamde Castello-kaart. Castello-kaart van Nieuw-Amsterdam
Nieuw-Amsterdam reikte niet verder dan Wall Street, de straat die langs de stadswallen liep. Een soort mini-Manhattan dus. Het was nog veel kleiner dan het gebied dat nu ten zuiden van Wall Street ligt – de New Yorkers hebben er namelijk nog het een en ander aan vastgepolderd, waaronder Battery Park. De oorspronkelijke kaart is overigens niet eens in Nederlands bezit – hij wordt bewaard in de Bibliotheca Laurenziana in Florence. Ik ben hem nog niet wezen bekijken – daar krijg je vast niet zo gauw toestemming voor. Het is de meest gedetailleerde plattegrond van Nieuw-Amsterdam. Het is overigens duidelijk dat wij Nederlanders ook hier de neiging grachten te graven niet konden weerstaan. De gracht is er helaas niet meer, al lang gedempt en tot straat gemaakt. Het fort en de toenmalige kerk staan er ook niet meer, maar Broadway - de Bredeweg - is natuurlijk duidelijk te herkennen. Battery Park is genoemd naar een opvolger van het Nederlandse fort dat in het water stond tot men dat gebied ook inpolderde.

Het Stadhuys van Nieuw-AmsterdamStadhuys
Behalve het stratenpatroon van Nieuw-Amsterdam is er maar weinig van over – er is sowieso weinig over van het New York van voor de vroege 20ste eeuw. Er is heel wat gesloopt op Manhattan. Zo is er bijvoorbeeld niks over van het stadhuis dat de Nederlanders er gebouwd hebben – althans boven de grond. Amerikanen hebben dan niet veel geschiedenis, als ze er wat van hebben zijn ze daar natuurlijk erg blij mee, en dus zijn de fundamenten van het stadhuis, voor zover die niet bebouwd waren, netjes uitgegraven en bedekt met glazen platen, zodat Nederlandse toeristen nostalgisch naar Hollandse baksteen kunnen staren. 
Een mooie foto kon ik er niet van maken, dus bij deze alleen een 19de-eeuwse afbeelding van het Stadhuis. Oh ja, dat New York überhaupt stadsrechten gekregen heeft, heeft ze te danken aan de Nederlandse Staten-Generaal, die in 1653 de Nieuw-Amsterdammers een burgemeester, schepenen en vroedschap gaf, zeer tegen de wil van de kolonisator, de West-Indische Compagnie. De inwoners van Nieuw-Amsterdam hadden echter een zeer geslaagde lobby gevoerd in Den Haag, achter de rug van de WIC om. Je kunt er alles over lezen in het wat populistische maar wel vlot leesbare boek van Russell Shorto, The island at the Center of the World.


Maffe straatnamen
Verder zijn er dan nog wat straatnamen die herinneren aan de Nederlandse tijd. Maar die wel heel vreemd klinken, soms. Kampioen is volgens mij 'Coentjes slip'! Had volgens mij niets te maken met ondergoed. 
De foto's spreken voor zich, dunkt me:
Koentjes onderbroek

Laantje van de Gouverneur

















Ouwe onderbroekVolgens het Woordenboek der Nederlandse Taal op Internet kan slip ook spleet, split of insnijding betekenen. Misschien is het net zoiets als steeg in Amsterdam, of de gloppen in Vlieland. Vroeger had je ook de spelling slop - waar de term sloppenwijk vandaan komt. Misschien is dat de betekenis ervan.

Binnenkort weer meer impressies van mijn verblijf in Nieuw-Amsterdam.

Jan. 8th, 2008

Impressies van Nieuw-Amsterdam (ook wel genoemd New York)

In Mei 2007 was ik twee weken in de stad die de rest van de wereld kent als New York maar eigenlijk natuurlijk Nieuw-Amsterdam zou moeten heten, zoals het genoemd werd door de Nederlanders die de stad stichten. Het is - uiteraard - een fascinerende stad, waar ik elk weekend rondliep, foto's makend, musea bezoekend en boeken kopend. Bij deze wat fotografische impressies van Nieuw-Amsterdam alias New York. Wat nou 'wolkenkrabbers'? 

Wolkenkrabbers?
Tja, wij noemen New Yorks hoge gebouwen 'wolkenkrabbers'. Amerikanen spreken zelf van 'skyscrapers', luchtkrabbers, en dat is een veel betere benaming, want wolken krabben... dat doen ze niet echt. Althans niet toen ik deze foto maakte. Maar wolkenkrabber is natuurlijk wel een veel mooier woord, zo vind ik. 






Wat nou, wolkenkrabbers?




Volgens het Woordenboek der Nederlandse Taal op Internet bestond de term al in 1909. Luchtkrabber kon toen ook, maar wolkenkrabber was duidelijk favoriet.
Rechts is het natuurlijk nog beter te zien dat ze er nog lang niet bijkomen...








Het Paradijs in New YorkBoekenparadijs
Ja, waar ga je als boekenwurm naar toe: de Strand Bookstore in de East Village natuurlijk. De Slegte is er niks bij. Ze beweren nu 18 mijl aan boeken te hebben. De winkel is gesticht in 1927 en nog steeds een familiebedrijf. Het is er vrij chaotisch, maar het aanbod van tweedehands boeken, van uitgeverij-overschotten en te koop aangeboden recensie-exemplaren is immens. Ik was hier dan ook regelmatig te vinden. Het is trouwens verstandig om een beetje vroeg heen te gaan als je op bijvoorbeeld zondag in de buurt bent - 's middags is het soms schuifelen geblazen. Het is maar goed dat de Strand in Nieuw Amsterdam staat, en niet in Oud Amsterdam, want anders had ik mijzelf al enkele keren bankroet kunnen verklaren...




Wat nou, filmpostertjeFilmpostertje?
Tja, hoe krijg je de aandacht van verwende New Yorkers? Niet door een lullig filmpostertje op te hangen. Zelfs niet uitvergroot... Nee, de New Yorkers doen het maar liefst met een wandschildering - die dan ook van ver af te zien valt. Doe maar duur, denk je dan als zuinige Hollander, want daar gaan natuurlijk een hoop centjes in zitten, zelfs in het Land der Onbegrensde Mogelijkheden. Het kan natuurlijk alleen uit als je het voor blockbusters doet - Ocean's Thirteen in dit geval.

Ocean's Thirteen




Best indrukwekkend natuurlijk - alleen blijft het er niet opzitten, want met de volgende blockbuster wordt er weer een ander plaatje opgeschilderd. Het zal je baan maar wezen... 








Wolkenkrabber avant la lettreCleopatra's naaldje
New York is natuurlijk maar een jong stadje, maar, samen met Londen en Parijs mag ze zich er op beroemen dat ze één van de drie 'Cleopatra's Needles' heeft staan, Egyptische obelisken die overigens veel ouder zijn en op zich niets met Cleopatra van doen hebben: ze kwamen alledrie uit Heliopolis waar ze rond 1450 voor Christus zijn neergezet ten tijde van Farao Thutmoses III. De Egyptische farao's deden al fanatiek aan recycling, en Ramses de Grote (de mummie van vorige keer) gebruikte ze om zijn heldendaden erop aan te prijzen. Daarna zijn ze naar Alexandrië versleept, waarvandaan ze in de 19de eeuw zijn weggegeven door de toenmalige heersers van Egypte. In 1879 gaven ze er ook een aan de Verenigde Staten. De overtocht van het gevaarte werd betaald door de Nederlands-Amerikaan William H. Vanderbilt, en in 1881 werd hij dan neergezet in Central Park. Hij staat er een beetje verscholen tussen de bomen, en door al die wolkenkrabbers eromheen valt hij een beetje in het niet, in tegenstelling tot de obelisken in Londen en Parijs. Maar toch - New York is dan wel niet ouder dan de 17de eeuw, ze hebben dan toch maar een monument dat 3500 jaar oud is.


William Henry VanderbiltWilliam Henry Vanderbilt (1821-1885) kon het zich veroorloven, want hij erfde honderd miljoen dollar van zijn vader en maakte er nog een paar meer bij. Hij wist natuurlijk niet wat hij met al dat geld aan moest en stopte dus heel wat geld in menslievende projecten. Zo financierde hij onder andere Vanderbilt University in Nashville, Tenessee. De Vanderbiltjes stamden af van Jan Aertsz van der Bilt (ca. 1620-1705), een boer uit De Bilt, Utrecht, die zich vestigde op Staten Island in ongeveer 1650. De familie werd schathemeltje rijk door Cornelius Vanderbilt (1794-1877), de vader van William Henry, die een spoorwegimperium opbouwde. De Vanderbilts werden door de oude Nieuw-Amsterdamse families met de nek aangekeken, maar waren al gauw zo rijk dat ze niet te negeren waren. Al gauw kwamen Europese edellieden met geldgebrek naar Amerikaanse erfdochters hengelen, waarvan één van de beroemdste Consuelo Vanderbilt (1877-1964), kleindochter van William Henry. Zij werd uitgehuwelijkt aan de Hertog van Marlborough, die met haar geld Blenheim Palace opknapte. Ze was een aangetrouwde nicht van Sir Winston Churchill.


Binnenkort nog wat meer New Yorkse impressies.
 

Dec. 26th, 2007

Stoffelijke overschotten in het Heilig Graf

 
Zoals bekend, tussen de bedrijven door van het lezen en schrijven dat mijn werk is, ben ik altijd wel te vinden voor tochtjes buiten Florence. Op 17 november ben ik met Jaska, Adriana en Freya naar Borgo San Sepolcro gereden, een plaatsje op de grens van Toscane en Umbrië dat dus letterlijk ‘Heilig Graf’ heet. Het plaatsje is vooral beroemd als geboorteplaats van de vijftiende-eeuwse schilder Piero della Francesca (1411/16-1492) wiens schilderijen ik erg mooi vind. Zelfportret van Piero della Francesca; detail van de ResurrezioneWe kwamen er aan rond een uur of half twee, dus zoals alle kleine plaatsjes in Italië was het practisch uitgestorven gezien de Italiaanse devotie voor wat ik maar noem ‘Santo Pranzo’ – de ‘Heilige Lunch’. Gelukkig is het een mooi plaatsje om rond te lopen, en bovendien waren de kerken wel open, en zo kwamen we ook in Santa Maria dei Servi, de kloosterkerk van de Servieten van Maria, een van oorsprong Florentijnse orde. Er was geen sterveling, maar van de gastvrije monniken mochten we blijkens de bordjes overal komen, zelfs op het hoogaltaar, waar leken gewoonlijk geacht worden niet te komen. 

Morbide Mummie
Terwijl we daar zo stonden, bleek er zich onder het altaar een glazen kist te bevinden maar daarin het skelet van een veertiende-eeuwse ‘beato’ – helaas ben ik zijn naam vergeten – van de orde. Hij was nog helemaal intact, voor zover ik het kon beoordelen – wel heel klein naar onze maatstaven, groter dan een meter vijftig of zestig kan hij niet zijn geweest. Ik vind dit soort ontdekkingen in achteraf kerken altijd heel boeiend: in tegenstelling tot de ‘grote’ heiligen is er voor deze locale heiligen en zaligen nooit zoveel belangstelling geweest en zijn ze dus nog redelijk intact, soms als mummie, soms als skelet. Bovendien kun je ervan uitgaan dat ze meestal authentiek zijn. Van de verzamelde splinters van het kruishout van Christus zou je een woud van kruizen kunnen bouwen, en met de flesjes moedermelk van Maria zou je ook een fiks zwembad kunnen vullen, maar van dit soort opgebaarde stoffelijke overschotten kun je redelijk op aan dat ze ook daadwerkelijk zijn wat ze worden beweerd te zijn. Temeer daar ze vaak zo onbekend zijn dat je er bij toeval op stuit, en om de een of andere reden vind ik dat altijd mateloos intrigerend: plotseling sta je oog in, nou ja, niet oog maar oogkas, met een tastbaar bewijs van het sterke geloof van onze voorvaderen in de heiligheid van bepaalde personen, die relatief anoniem waren tijdens hun leven maar wier veronderstelde geheiligde leven door de locale gemeenschap zo werd gewaardeerd dat zelfs nu nog – eeuwen na dato – de beenderen en botten van deze personen met eerbied worden bejegend en bewaard. 
Niet iedereen in ons gezelschap kon het echter waarderen. Freya bijvoorbeeld vond het maar morbide, zo’n dood lichaam, en een vrij onsmakelijk aspect van het katholicisme. Ik daarentegen vind het altijd buitengemeen boeiend, en herinner me dit soort ontmoetingen altijd levendig. Toen ik bijvoorbeeld in 2004 in het vrijwel oninteressante Este was, stuitte ik in een kerk daar op een mummie van een zalige non van het inmiddels uitgestorven huis van Este – in hun hoogtijdagen hertogen van Ferrara en Modena. De heilige non van adellijke huize lag er na een eeuw of zeven nog patent bij. De details ben ik helaas vergeten – ik hield toen nog geen dagboek bij, maar in mijn herinneringen aan Este neemt ze een vooraanstaande plaats in – niet zo heel gek overigens omdat het een lelijke negorij is met als boeiendste attractie de ruïne van het kasteel van de Este’s. Het Kasteel van Este

Botten met namen
Mijn fascinatie voor de stoffelijke resten van dode persoonlijkheden strekt zich niet alleen tot heiligen uit, maar ik ben niet in elke tastbaar aanwezige dode geïnteresseerd. Naamloze stoffelijke resten vind ik minstens zo macaber als Freya het beate skelet in San Sepolcro, maar als je er een naam en biografische bijzonderheden van weet, vind ik het altijd buitengewoon boeiend. Een week voor ons bezoek aan San Sepolcro was ik met Henning in het Archeologisch Museum van Florence geweest, en één van de zalen van dit museum was gevuld met Egyptische sarcofagen en de mummies die ze bevatten. In feite een museaal kerkhof dus. Van de meeste van deze mummies was niets bekend – geen ervan was beroemd – maar één ervan was de mummie van een jonge vrouw, Takerhet, ooit opengemaakt door de archeologen. Als persoon is Takerhet niet zo interessant – gewoon één van de honderden zo niet duizenden Egyptische mummies uit de tijd van rond Christus. Maar om de een of ander reden vind ik het prettig dat ik haar naam wist. Takerhet is er al zo’n tweeduizend jaar niet meer, maar haar lichaam heeft de eeuwen getrotseerd en is ontsnapt aan de middeleeuwse gewoonte om mummies te vermalen – vermalen mummie gold namelijk als een soort Viagra – zodat dat verre, verre verleden opeens heel tastbaar lijkt. Ook al is het niet meer dan een leeg omhulsel, Takerhet is er nog, en wij die in het derde millennium na Christus leven kunnen haar nog steeds zien en ons afvragen hoe haar leven was, en wat ze ervan zou hebben gevonden dat na vijfentwintighonderd jaar begraven te zijn geweest nu tentoongesteld ligt voor wezens die wat haar betreft buitenaardse wezens hadden kunnen zijn.
Ooit hoop ik nog de echt beroemde mummies te zien – de mummies van de Farao’s, waarvan een aantal bewaard worden in het Egyptisch Museum van Caïro, zoals de mummie van Ramses de Grote, één van Egypte’s machtigste koningen ooit, die leefde in de dertiende eeuw voor Christus en zesenzestig jaar op de troon zat. Die tijd gebruikte hij onder andere om Egypte te besproeien met monumenten, zoals de beroemde tempel van Abu Simbel, reden waarom hij één van de meest zichtbare Farao’s is vandaag de dag. Zijn mummie is er nog, en het lijkt me buitengewoon boeiend om zijn mummie te zien – het stoffelijk overschot van een man wiens wil wet was in een tijd zover geleden dat we ons er nauwelijks een voorstelling van kunnen maken, die meer dan twaalf eeuwen leefde voordat Christus überhaupt werd geboren en die traditioneel wordt geacht de Farao te zijn die leefde toen Mozes, de stichter van het Jodendom, een jongen was.Mummie van Ramses de Grote
Resurrezione
Van Jezus zelf is geen lijfelijke reliek bewaard gebleven, voor zover bekend, en zeker niet van bijvoorbeeld zijn schedel of hart. Hij is immers, zo wil het Christelijk geloof, lijfelijk uit de dood opgestaan. De vroede vaderen van San Sepolcro koesterden sinds de elfde eeuw wel relieken van dat lege Heilige Graf, en toen ze in het midden van de vijftiende eeuw hun stadspaleis opnieuw inrichtten – wat nu het Museo Civico is – gaven ze Piero della Francesca opdracht uitdrukking te geven aan die stedelijke verbondenheid met één van de heiligste plaatsen van het Christendom. In de jaren 1460 schilderde Della Francesca een fresco van de Verrijzenis in het paleis, de ‘Resurrezione’, door de Britse schrijver Aldous Huxley in 1925 beschreven als één van de beste schilderingen ter wereld, en al was ik zelf wat minder onder de indruk, de gelaatsuitdrukking van de wederopgestane Jezus, oprijzend uit zijn sarcofaag – ‘sepolcro’ in het Italiaans – en met één voet op de rand, alsof hij er zo uit gaat springen, heeft inderdaad iets klemmends, iets dwingends. Het is een hele serene, kalme en tegelijkertijd heel stoere Christus, die de beschouwer rechtstreeks aankijkt en woordeloos lijkt te zeggen: ‘Ik kon het, dus waarom jij ook niet?’ Weliswaar is zijn lichaam heel bleek, maar dat hij terug is onder de levenden laat Della Francesca subtiel zien door twee straaltjes vers bloed uit de nog niet geheelde speerwond die Longinus de Gezalfde toebracht. De bloedsomloop is duidelijk weer op gang, en het zal niet lang duren voordat Christus weer de blos van het leven over zijn huid krijgt. Het moge duidelijk zijn: deze Christus heeft de Dood overwonnen: voor hem is niets meer onmogelijk. Resurrezione van Piero della Francesca
Het enige wat hem nu, na meer dan vijf eeuwen, bedreigt, zijn de scheuren in de verzakkende muren van het paleis, maar blijkens een uitgebreid informatiebord is men er in geslaagd de muren dusdanig te verstevigen dat het fresco kan blijven waar het door Piero della Francesca is geschilderd, en niet van de muur hoeft te worden gehaald – met alle gevaren van dien. Tenzij San Sepolcro een zware aardbeving te verduren krijgt, zal hij er ook nog zijn als jullie eens in de buurt zijn. Jullie kunnen dan ook gaan lunchen of dineren bij Fiorentino, een heel goed en charmant restaurantje dat dit jaar tweehonderd jaar bestaat en al zeventig jaar door dezelfde familie wordt uitgebaat. Want hoe fascinerend ik de doden ook vind, de Italiaanse keuken is een eredienst van het leven, waarvan ik mij een trouw gelovige beken. Maar daarover weer een andere keer.

Nov. 23rd, 2007

Winterschool

Het is alweer meer dan twaalf dagen geleden sinds de laatste posting: hopelijk heb ik binnenkort weer meer tijd om wat te schrijven. Ik ben onder andere op het moment druk bezig met de organisatie van de 'Florentijnse Winterschool', die van 10 tot en met 14 december aanstaande zal plaats vinden in de Villa Schifanoia, met als onderwerp 'Politics, Press and Public Debate in the 17th Century' (Zie hier het programma).
Opinio, de pin-up van onze Winterschool
















  Binnenkort weer meer Italiaanse avonturen.
 

Nov. 10th, 2007

Welkom op Mondodenzo

Henk aan het roerWelkom op mijn blog, Mondodenzo. 

Mondodenzo klinkt heel Italiaans, maar het is een niet-bestaande term. Het is een samenvoeging van de Italiaanse vertaling van – heel banaal – ‘Henk’s wereld’. Wereld is ‘mondo’ in het Italiaans, en de Italiaanse vorm van Henk is Enzo – dat wil zeggen, eigenlijk is de Italiaanse naam afgeleid van Heinz, de Duitse vorm van Henk. Enzo is een veel voorkomende naam in Italië: de eerste die zo heette was ‘Re Enzo’, oftewel ‘Koning Heinz’, die leefde in de dertiende eeuw en koning was van Sardinië (de link is helaas alleen voor Italiaans lezenden).

Eigenlijk zou ‘Henk’s wereld’ dienen te worden vertaald naar ‘mondo di Enzo’, wat zou leiden tot het adres ‘mondodienzo’. Maar dat vond ik niet mooi klinken: vandaar dat ik er Mondodenzo van heb gemaakt: dat allitereert lekker en heeft een mooie cadans. Het is dus een onzinwoord, maar naar mijn mening wel een mooie: het zweemt naar denkbeeldige plaatsnamen uit negentiende-eeuwse romans. Overigens is er niet ver van Florence een plaats die er wel wat op lijkt: San Godenzo.
 
Mondodenzo zal gaan over mijn leven in Italië in de breedste zin van het woord. Ik ben van plan er in de toekomst verslag te doen van wat er in ‘Il Bel Paese’ zo al te zien en te doen valt. Er zullen foto’s en verhaaltjes op worden geplaatst al naar gelang ik iets te vertellen heb, zodat hopelijk mijn leven aldaar wat minder abstract wordt voor de ‘thuisblijvers’ en wat meer kleur – of ‘couleur locale’ – krijgt. Een zweem van ‘la dolce vita’ dus – maar allicht ook van ‘la vita contemplativa’, het beschouwende leven, want ik zit daar natuurlijk niet zomaar.
 
De Italianen hebben een gezegde dat luidt: ‘Si non é vero, é ben trovato’, hetgeen ongeveer neerkomt op, ‘als het niet waar is, dan is het tenminste mooi bedacht’. Mondodenzo is een nonsenswoord en dus niet waar, maar het blog is qua uiterlijk inderdaad mooi bedacht, met dank aan [info]glorycookie die Mondodenzo heeft ontworpen, waarvoor ik op deze plaats nog eens hartelijk dank wil zeggen. Mijn enige bijdrage tot het ontwerp is het icoontje, het wapenschild van Florence, ‘Il Giglio’, oftewel ‘de Lelie’, het symbool van Florence (de link is helaas alleen voor Italiaans lezenden). Florence is immers mijn uitvalsbasis in Italië.
 
Tenslotte, voor diegenen die zoals ik halve digibeten zijn: mocht je willen weten wat bepaalde foto’s voorstellen, ga er dan gewoon over heen met je muis, dan licht de titel van de foto op.
 
Tanti saluti da Firenze 

Nov. 8th, 2007

Historische sensatie in La Verna

Welbeschouwd breng ik mijn leven door in kloosterlijke omstandigheden: het instituut is gevestigd in een voormalig klooster en de ruimte waarin ik dagelijks werk is ingericht als een soort scriptorium met aan weerszijden van het gangpad onze schrijftafels, waar wij weliswaar niet ijverig de Bijbel overpennen maar, als we niet opletten, wel proefschriften van bijbelse omvang voortbrengen...

Vandaar dat ik ook deze keer zal schrijven over een klooster - nu niet in Florence maar nog wel in Toscane, zij het aan de noodwestelijke rand. Lucy, een Engelse collega en vriendin, was jarig en besloot dat te vieren met een uitstapje naar de abdij van La Verna, in de Casentino, een dal in noordoostelijk Toscane. 

Het kapelletje op de plek waar Franciscus tot de vogels zou hebben gepreektGrote liefde voor dieren
Ik had er nog nooit van gehoord, terwijl het toch ooit onderdak bood aan niemand minder dan de heilige Franciscus van Assisi (voor de liefhebbers: geboren in 1181 of 1182, en overleden in 1226), een van de grootste en beroemdste heiligen uit de geschiedenis van de Kerk - in 1926 noemde de toenmalige Paus hem zelfs de 'alter Christus', de andere Christus. Hij was ook de uitvinder van de kerststal en de heilige wiens feestdag - de vierde oktober - inmiddels bekender is als Werelddierendag. Dat is niet zonder reden, want de heilige Franciscus had een grote liefde voor dieren - bepaald geen gewone zaak in het verleden - noemde ze 'broeder ezel' en 'zuster kip', en naar verluid heeft hij ook een keer gepreekt voor de vogels, in La Verna, die op een keer massaal kwamen opdraven en voor één keer hun snaveltjes hielden om in plaats van hun eigen gekwetter de heilige het Woord te horen verkondigen. 

Op die plek hebben ze in 1602 een kapelletje gebouwd, en als je uit het dorp Chiusi della Verna omhoog loopt naar het klooster, kom je daar dus langs. Maar het belangrijkste wonder, zo wil het verhaal, is toch wel de ontvangst van de stigmata in de herfst van 1224, want Sint Franciscus was de eerste heilige die spontaan de lijdenswonden van Christus te verduren kreeg - bloedingen in zijn handen, voeten en in zijn zij. 

Het was weliswaar geen pelgrimsstoet ter bedevaart - de twee auto's van onze karavaan met in totaal zeven vrienden-collegae - maar als katholiek jongetje vond ik de heilige Franciscus mede vanwege zijn dierenlievendheid een zeer geschikte vent, en als ik het goed heb was het ook een van de weinige heiligen die na het Vaticaans Concilie nog politiek correct genoeg bevonden werden om door progressieve schoolmeesters als lichtend voorbeeld aangehaald te worden. 

Het staat me althans bij dat we op de Sint Jansschool meer over Franciscus hoorden dan bijvoorbeeld over de heilige Bernhard van Clairvaux, een heel geleerd maar ook heel opgewonden standje wiens onverdraagzaamheid jegens andersdenkDe Abdijkerk in de sneeuw (foto van Lucy)enden resulteerde in de Tweede Kruistocht tegen de Moslims. Een soort van Geert Wilders dus, maar dan met een aureooltje in plaats van een dode cavia op zijn kop, om Arend-Jan Boekestein te citeren.

Verlicht
Sint Franciscus was uit heel ander hout gesneden. Tegen de tijd dat hij leefde was het wel duidelijk dat die Kruistochten weinig opleverden, maar werd er desalniettemin regelmatig een leger naar het middenoosten gestuurd. Sint Franciscus voer mee naar Egypte, glipte door de linies en preekte voor de Sultan van Egypte, die naar verluid zeer onder de indruk was maar desondanks toch niet van plan was Christen te worden. Sint Franciscus bereikte dan ook weinig, maar hij probeerde het tenminste met woorden in plaats van zwaarden, en dat mag vanuit het standpunt van zijn tijd toch best heel verlicht genoemd worden.

Maar terug naar La Verna. Het duurde wel even voor we waren, want de Casentino ligt niet naast de deur. Toen Franciscus hier neerstreek, was hij op zoek naar afzondering, en tot op de dag van vandaag is de Casentino een spaarzaam bevolkt en afgelegen gebied. Het ligt ook veel hoger - tegen de tijd dat we, na een lunch in Chiusi della Verna, bij de abdij aankwamen hadden we verscheidene lichte sneeuwbuien over ons heen gekregen. En dat terwijl we bij Florence nog met open dak konden rijden.

Boze opzet
De abdij is gebouwd rondom de plekken waar Sint Franciscus verbleef als hij hier in retraite ging. De man nam geen halve maatregelen in zijn strijd tegen het zondige lichaam. Hij sliep in een grot op een ijzeren rooster dat hij als zijn bed beschouwde, liep altijd op blote voeten, droeg een buitengewoon ruwe pij die overigens nog altijd wordt bewaard in de abdijkerk, en was een geestdriftig aanhanger van een hongerdieet, zodat hij bij leven een zeer anDe Grot van Franciscusorectisch uiterlijk moet hebben vertoond. Hij was, kortom, een fanaticus. Hij werd regelmatig bezocht door visioenen, en meende eenmaal zelfs te worden belaagd door de Duivel, toen hij op een bijzonder steil stuk van de berg was en de Vader van de Zonde hem van de rotswand wilde gooien. Die boze opzet - vermoedelijk in de vorm van een plotselinge harde windvlaag - werd verijdeld doordat de rots terugweek om de heilige zo beschutting te bieden. 

Die holte in de rots is uiteraard nu een heilige plek, afgeschermd door een rooster, en de rotswand daar is inderdaad behoorlijk steil - één lid van ons gezelschap kreeg spontaan last van hoogtevrees en zocht onmiddellijk vaster grond onder de voeten. Er was overigens - tussen de sneeuwbuien door - een fantastisch uitzicht over het omringende land.

Spontaan te bloeden
De heiligste plek is wellicht de Capella delle Stimmate, gebouwd op de plek waar Franciscus tijdens een visioen spontaan begon te bloeden uit handen, voeten en zij. Hij was niet de laatste katholieke heilige die de stigmata ontving, maar wel de eerste, en uiteraard is dit onderdeel van Franciscus' leven het meest omstreden. Sceptici zeggen dat het niet anders geweest kan zijn dan een 'vrome fraude', en dat de heilige dus zich zelf die wonden toebracht, terwijl de Kerk stelt dat het om een wonder ging. Hoe dan ook, in 1263 liet een locale graaf op de heilige plek een gedenksteen plaatsen, en rondom die steen is een kapelletje gebouwd. Die steen is er nog, ingebed in de vloer en afgedekt met een glazen plaat. Het was een bijzondere ervaring om daar te staan - niet zozeer vanwege het wonder, waar je van mag denken wat je wilt, maar van de meer dan zeven eeuwen vroomheid waar die gedenksteen, met zijn fraaie middeleeuwse Gothische belettering, na al die tijd nog steeds getuige van is.

Een soortgelijke ervaring had ik toen ik in de abdijkerk stond bij de vitrine waarin de pij van Franciscus wordt bewaard. Natuurlijk dient men altijd op zijn hoede te zijn bij relieken als deze - wellicht is ook dit een 'vrome fraude' - maar toch zag het er buitengewoon authentiek uit, met gerafelde en deels weggevreten randen. De stof van de pij was zo grof en dik dat het heel goed mogelijk is dat het de eeuwen heeft overleefd op deze plek, waar sinds de dood van Franciscus vrijwel altijd leden van zijn orde hebben gewoond. Daar te staan en de pij te beschouwen leek opeens het gewicht van meer dan zeven eeuwen op te heffen en gaf me het gevoel in direct contact te staan met Franciscus en zijn tijd - ik geloof dat men dat de historische sensatie noemt, zoals de grote Nederlandse geschiedschrijver Huizinga heeft beschreven.

SchedelInterieur van de Capella della Stimmate
Ik had iets soortgelijks tijdens mijn bezoeken aan San Domenico in Bologna, waar de schedel van de heilige Dominicus wordt bewaard in een speciaal daarvoor gebouwd altaar. Dominicus was een tijdgenoot van Franciscus, en de authenticiteit van zijn schedel is middels wetenschappelijk onderzoek vastgesteld. Of dat ook geldt voor Franciscus' pij, weet ik niet - mijn reisgids zweeg erover in alle toonaarden - maar voor de historische sensatie van dat moment maakte dat natuurlijk niets uit. Voor de meeste gelovigen trouwens ook niet - als een voorwerp maar lang genoeg vereerd wordt, krijgt het vanzelf een zeker patina, of het nu authentiek is of niet.

La Verna was kortom een bijzondere ervaring, en ik wil er zeker nog eens naar toe. Niet zozeer vanuit religieuze overwegingen overigens. Een leven zoals Franciscus heeft geleefd, vol zondebesef en versterving, totdat de dood erop volgt - volgens sommigen heeft het er alle schijn van dat hij overleed aan de gevolgen van ondervoeding - dat is toch niet zo mijn voorstelling van een lichtend religieus voorbeeld. Naar onze maatstaven was de man in dat opzicht een fanaticus, bevangen door godsdienstwaanzin. Maar Franciscus was in dat opzicht een man van zijn tijd, en in de orde die hij heeft gesticht zijn ook andere, voor ons meer aansprekende idealen vorm gegeven, zoals de eenvoud en de nederigheid die de Franciscanen hebben geprobeerd te betrachten. Ze wilden dichtbij de gewone gelovigen staan, in een tijd waarin de meeste bestaande orden zich ver hielden van de wereld en in zelfgekozen - soms behoorlijk weelderige - afzondering aan de aanbidding Gods wijden.

Wellicht dat wij, promovendi van de EUI, de wetenschap dienend en erend in ons eigen klooster op de berg, eerder te vergelijken zijn met de monniken en nonnen van die beschouwelijke orden dan met die van de Franciscaner orde...

Maar dat is allicht weer een ander verhaal.

Hier wilde Satan Franciscus van de rots gooien (foto van Jaska)

 













 

Advertisement

Customize